Faster, Pussycat! Kill! Kill!

Zes maanden. Zo lang is het dat geleden dat ik laatst iets schreef. Het verwondert mij (en u misschien ook) dat ik nog het lef heb om hier iets te posten. Misschien had ik het stilletjes moeten laten doodbloeden, de laatste stuiptrekkingen in mijn hoofd voelen schuimbekken, me omdraaien en weglopen zonder ooit nog om te kijken.

Maar dat zou hetzelfde zijn als per ongeluk mijn eigen kat doodrijden, terwijl ze ligt te slapen op de warme banden van de auto. Bij het achteruitrijden een korte maar schrille kreet horen, in de zijspiegel de pootjes nog zien spartelen en zonder veel aarzelen terug vooruit rijden om haar uit haar lijden te verlossen.
Dat kan ik dus niet. Ik zou op mijn knieën vallen, in tranen uiteraard, en haar half vermorzelde muil tegen mijn lippen duwen en mijn longen leegblazen in de hare terwijl ik op goed geluk met twee vingers begin te pompen op haar borstkas.

Zodoende, ik reanimeer mijn blog, al is hij misschien ten dode opgeschreven.

De vraag is natuurlijk waar je na zes maanden mee kan aandraven om je verloren schapen terug naar je stal te lokken. Seks lijkt me te voor de hand liggend. Er valt ook weinig ludiek of opmerkelijk over mijn seksleven te zeggen. Meer nog, het zou mij lezers kosten als ik zou opscheppen over het absurde gemak waarmee mijn vent mij kan doen klaarkomen.

Om dan een hele entry aan hem te wijden, daarvoor is zijn ego al te groot. Na ruim zes maanden heb ik wel door dat wat hij mist in gestalte ruimschoots wordt gecompenseerd met machismo. Dat gaat nog vodden geven als hij vanaf september elke dag commentaar kan geven op wat ik aantrek om op café te gaan met vrienden.

Zagen over sollicitatie-ellende doe ik wel als ik echt kan spreken van ellende. Ik heb er momenteel twee opzitten en zat telkens bij de allerlaatste groep overblijvers. Jammer dat barwerk geen blijk geeft van communicatieve vaardigheden en het uitgeven van het ledenblad van je chiro nauwelijks geldt als redactionele ervaring. Misschien maar goed dat Daniel de hoerenbuurt wil opschonen, want je weet nooit hoe laag ik kan zakken (pun intended).

Nu lijkt het alsof ik het afgelopen half jaar niets boeiends heb gedaan terwijl watertrappelen in de stormachtige rivier die onafhankelijkheid heet best wel zijn interessante momenten heeft. Helaas horen daar nauwelijks dronken avonden, sexcapades, onverantwoorde reizen of riskante fysieke beproevingen bij. Het lijkt erop dat ik er lichamelijk vrij ongeschonden uitkom. Hoe het met mijn mentale gezondheid gesteld is, zal u wel merken als ik een gestaag blogtempo kan aanhouden.

Ik zal dus proberen om tussen het thesissen, het kweken van kieuwen en het subtiel openzetten van een knoopje tijdens de sollicitatiegesprekken op tijd en stond naar huis te gaan en te herbronnen bij mijn kat. Wie mij trouwens vanaf september zo’n donzige inspiratiebron kan bezorgen, wordt met naam en toenaam vermeld bij een eerstvolgende blog. Qua eerste stappen in de hoererij kan dat alvast tellen.

Walk on the wild side

Sinds kort werk ik in een niet nader genoemde Nederlandse winkel waar je alles van Jip en Janneke vindt. Niet fulltime, uiteraard. Na dit jaar loopt mijn studieloopbaan van zeven jaar af (en ja, ik had al huisarts kunnen zijn. Ik weet het, verdomme) en gooi ik me te grabbel op de arbeidsmarkt. Maar wie huur moet betalen omdat ze besloten heeft om op eigen benen te staan en de ouderlijke deur achter zich dicht te trekken, moet nu eenmaal pakken wat er te pakken valt. Ik ga heus niet klagen over mijn job, integendeel. Je vindt me achter de kassa, alwaar de voyeur in mij bij elke klant multiple mentale orgasmes krijgt. Het is een wonder dat mijn hoofd nog kan lopen.

De opgewekte grijns waarmee ik iedereen begroet, wordt dan ook enkel gevoed door mijn honger naar de inhoud van hun winkelmandje. Per dag krijg ik tientallen zwangere vrouwen voor mijn neus, al dan niet met reeds lawaaierige koters aan hun rokken die beginnen te schreeuwen als mama de rammelende aankopen uit hun handen neemt. Soms mogen de ukken zelf betalen. Dan staan ze met hun winterschoentjes op mijn toonbank en speel ik met graagte de kleuterjuf die hen centjes geeft en het kasticketje voor hun neus laat wapperen als ware het een slinger. Mama’s vinden dat leuk, ik na de zevende kleuter not so much. De ‘meegroeisweatpants’, tepelpads en borstpompen uit hun mandje zijn dan ook een uiterst doeltreffend anticonceptiemiddel.

De leukste klanten zijn de mannen. Die willen doorgaans geen zakje, want ze kunnen alles kwijt in de binnenzakken van hun jas. (Waarom heeft mijn jas geen binnenzak, vraag ik me dan af.) Ze kopen ook enkel de essentiële dingen. Hemden, kousen, ondergoed. Geen snoeprol uit het kassarek, hooguit een (niet-rammelend) speeltje voor de kleine. Ik glunder als ik hun ondergoed van de kapstokjes haal. Ik kan me nauwelijks bedwingen om niet afkeurend te kijken als ze witte katoenen slips kopen, maar het gaat dan meestal om bejaarde mannen wiens vrouw nog snel een paar huidkleurige steunkousen en inlegkruisjes tegen urineverlies op de toonbank gooit. “Als er niet meer geneukt wordt, moet er ook geen mooi ondergoed meer gekocht worden, nietwaar meneer?”
Mijn roekeloze alter ego was al lang haar job kwijt geweest.

Jongemannen hebben zo mogelijk nog een hogere entertainmentwaarde. Ze kopen fietssloten –en lampjes, mappen en balpennen, lakens en op tijd en stond (als het lief aan de arm hangt en schaapachtig naar zijn bakkebaarden staart) een geurkaars. Functionaliteit ten top. Gisteren stond er een alternatief exemplaar aan te schuiven en instinctief nam ik argeloos het doosje dat hij voor mij had neergelegd op en zoefde er met mijn scanner over (als het even rustig is, zit ik met mijn scanner over de grond en mijn eigen gezicht te gaan, kwestie van u even aan te tonen waarom ik niet zou kunnen leven met zo’n hersendodende job). Pas toen ik op mijn kassascherm keek, zag ik dat ik extra large condooms had ingescand. Ik werd instant rood – Royco kon er een puntje aan zuigen – en keek de jongeman smalend aan. Ik weet niet of hij stiekem knipoogde, dat kan ik me ook ingebeeld hebben. Ik schotelde hem de rekening voor en hij betaalde cash. Ik moest mijn kassa opnieuw opendoen omdat ik zijn wisselgeld was vergeten. Toen hij het doosje wegstopte in zijn binnenzak en wegliep van mijn kassa, bleef ik hem nog enkele seconden nakijken.

Ik herinner me al niet meer hoe hij eruitzag en ik was zelfs niet eens nieuwsgierig naar de lengte van zijn jongeheer. Ik was vooral benieuwd naar zijn avond en een tikkel jaloers op de lucky girl. Meer mannen zouden zijn mentaliteit moeten hebben. Mijn ervaring leert me dat niet elke kerel die reflex heeft. Het zou natuurlijk kunnen dat bovenstaand heerschap een ziekte heeft of van zinnens is om zijn 12-pack op een evenredig aantal vrouwen uit te proberen. Toch geloof ik graag dat hij simpelweg een exemplaar is met gezond verstand, net zoals de vent die mij drie weken geleden van mijn sokken blies (en dat mag u vrij letterlijk nemen).

De impulsieve beslissing om toen op de trein naar Antwerpen te springen, heb ik me nog geen seconde beklaagd. Ik wil mezelf graag beschouwen als een rationeel wezen. Zo eentje dat wikt en weegt, analyseert en beredeneerde keuzes maakt. Niets is minder waar. Ik leef instinctief en doe wat mijn emoties mij ingeven. Als dat betekent dat ik aan een bushalte zit te janken of over straat luidkeels meezing met mijn iPod, dan is dat zo. De anonimiteit van een stad is op zo’n momenten heel welkom. Zo lang ik achter de kassa mijn La Tourette-kantje onder de knoet kan houden, zie ik geen reden om te veranderen. Dat gezegd zijnde ga ik de douche en de stad van mijn leeuw eens uittesten, in beide gevallen zingend.

Smell my finger

Terwijl u dit stuk leest, mag u zich gerust voor de geest halen hoe ik om de zeven woorden mijn neus ophaal, om de vier zinnen een kleenex uit de doos trek en om de dertien minuten mijn longen door mijn keelgat naar buiten probeer de jagen.

Maak je geen zorgen, het wordt geen blog over ziek zijn. Er valt ook weinig nieuws te vertellen. You feel like shit. The end. Waar het wel over gaat, is mijn klein, schattige reukorgaan. Net zoals mijn handen is mijn neus niet verder geraakt dan de foetale fase. Gelukkig kan ik er wel meer mee doen dan de doorsnee 20 weken oude vrucht.

Deze Niagara Falls van snot heeft me het kleinood in het midden van mijn sproetige kop des te meer doen appreciëren. Iets vanzelfsprekend zoals was sorteren is nog nooit zo’n zware opdracht geweest. Ik kan gewoon niet meer uitmaken of ik ergens walgelijk in gestonken heb of niet, met als gevolg dat ik de afweging moet maken of ik a) mijn huisgenote laat ruiken en haar smetvrees weer de hoogte in jaag; b) het risico neem om het te blijven dragen en zo mijn sociaal leven op een paar uur in de dieperik stort; c) het simpelweg in de was gooi en de groene deerne in mij kwel met schuldgevoelens omwille van een mogelijke water- en energieverspilling.

Ik ben een sucker voor geuren, of het nu die van mijn oma, mijn kat, mijn babyknuffels of mijn mannen zijn. Geen van mijn vrijers droeg hetzelfde parfum. Als ik in de supermarkt sta aan te schuiven aan de kassa, of ik zit op de bus naar huis; als ik de geur van iemand die me dierbaar is opmerk, kijk ik schichtig om me heen op zoek naar een glimp of krimp ik ineen door de plotse baksteen in mijn maag. Mijn allereerste vriendje droeg Polo van Ralph Lauren, wat blijkbaar nog steeds populair is bij de huidige lichting zeventienjarigen. De hoeveelheid nostalgische buien die ik over me heen heb voelen spoelen als ik me na 16u in het centrum waag, zijn niet meer op twee handen te tellen. Een kerel die me met gladde praatjes en eindeloze traktaties in zijn bed probeert krijgen, is eraan voor de moeite als ik merk dat hij naar mijn-vader-op-familiefeesten ruikt.

De vreemdste geurontdekking die ik onlangs deed, was merken dat mijn thuis plots anders ruikt sinds ik er niet meer woon. Gewenning is op dat vlak een bijzonder vreemde evolutie. Ik kan me niet voorstellen dat ik ooit niet meer de drang zal voelen om erin te gaan rollen als de geur van vers gemaaid gras mijn neus prikkelt, of om mijn schoenen uit te doen nadat een warmteonweer de straat heeft doen stomen. Anderzijds hoop ik dat die evolutie zich wel doorzet, zodat ik ooit in staat ben om hem te zien zonder een beetje sterven vanbinnen als ik zijn wang kus en het borsthaar waar ik zo vaak mijn neus in heb begraven een vleugje Hugo Boss vrijgeeft.

Mijn raam staat open en ik hoor de duiven kirren op ons koertje. De snertbeesten maken er een puinhoop van. Ik kan het niet behelpen, maar ik glimlach omdat ik na vier dagen eindelijk weer iets ruik, al is het de geur van de vuilniszakken die in deze temperaturen waarschijnlijk een triljoen maden zullen grootbrengen.

Ey, loetse!

Het zijn Gentse Feesten en de bar die mijn werkvloer is, wordt besmeurd door randdebielen. Neen, dit is niet altijd een café. Het is hier een theaterzaal en u komt hier waarschijnlijk enkel binnen omdat u hier niet moet aanschuiven voor een pint en vanop een barkruk kan meekwelen met “Vlaanderen Zingt”. Ja, haal gerust uw zakdoek boven en zwaai gerust mee met Les lacs du Connemara. Ik voer tien dagen lang een gedoogbeleid tegen uw soort.

Ik voel me zelden verheven boven iemand anders. Ik mijd mensenmassa’s. Ik mijd mensen. Mijn sociaal masker kent alle rollen en past zich naadloos aan bij elke nieuwe situatie. Luid en gewaagd als ik door jonge, viriele mannen word omringd om te polsen wie met mijn slechtste kant zou kunnen omgaan. Cynisch en kalm als mijn vriendinnen in een roddelbui zijn beland. Beleefd en geduldig als oudere mensen mij aanklampen en een wanhopige babbel willen slaan. Zwijgend en geïntrigeerd als ik in zijn armen lig.

Maar ik weet niet goed hoe ik me moet gedragen als twee fabrieksarbeiders aan mijn toog hangen, commentaar hebben op de pils (“nie te zoapen”), mijn naam (“nog nuuit guurd”) en mijn loon (“veur dieje proas loate uien boas et zelf doen”). In eerste instantie wilde ik oprecht geïnteresseerd zijn. Toen onze gemeenschappelijke kennis niet verder bleek te reiken dan enkele nummers van Guns ’n Roses en AC/DC, was ik opgelucht dat het drukker begon te worden en klampte ik elke klant aan alsof het een oude vriend was. Ze bleven echter zitten, met hun bierbuik die de grijpafstand tot hun glas bijna onoverbrugbaar maakte en hun ongetwijfeld naar motorolie ruikend lang haar in een staart en bleven het niet te zuipen goedje bestellen. Ze riepen mij de meest vreemde namen toe want de originele was blijkbaar echt te moeilijk om te onthouden.

Ik nam toen het besluit om elke volgende marginaal wijs te maken dat ik Vanessa heette en dat ik dit werk in het zwart deed om mijn kinderen te kunnen voederen aangezien ik van hun pa – een neger, uiteraard – geen alimentatie kreeg. Gelukkig bleef het bij deze twee exemplaren. Ik had de feesten anders nooit overleefd.

Na mijn laatste werkdag reed in nietsvermoedend mijn parkeerplaats uit toen een meisje opgewekt op mijn raampje kwam tikken. Of ik haar en haar vrienden een lift kon geven. Ze waren behoorlijk dronken, maar ik moest toch hun richting uit en de goede daad zou me zeker nog een fikse karmabeloning opleveren. Het blije meisje zat achter mij en stortte meteen haar hart uit. Ze wilde met me trouwen en polste om de honderd meter of ik al van geaardheid was veranderd. Toen ze begon mee te zingen met Radiohead heb ik het even overwogen, maar ik dacht meteen aan de geur van een warm mannenlijf dat dicht tegen me aangedrukt lag en brak haar hart. Mijn lesbisch masker is genadeloos.

Ik heb toen twaalf uur geslapen, de geur van bier en hamburgerkraampjes uit mijn lijf gewassen en ben met een fris hoofd aan het hoofdstuk getiteld “herexamens” begonnen. Nu nog een job vinden en in september naar de grote stad verhuizen. Ik zal er ongetwijfeld nog een hoop marginalen tegen het lijf lopen. Als u mijn naam vraagt en ik zeg ‘Vanessa’, dan weet u dat ik nog geen gepast masker heb gevonden voor iemand als u. Ik maak er werk van.

To My Lover

EGO – You had me at hello. Stop trying to impress me.

PASTA – Het enige wat ik echt goed kan klaarmaken. In allerlei variaties. Als we te dik worden, kopen we rolstoelen en houden we racejes door de supermarkt.

ALCOHOL – Maakt me geil. En jou ook. Maar als je te veel gezopen hebt om je piraat nog te doen enteren, laat me dan slapen.

MIJN OUDERS – Je leert ze snel kennen. Mijn papa zal stomme moppen maken. Mijn mama zal je willen voederen. It’s a good sign.

SCHRIJVEN – Als ik on a roll ben, kan je me maar beter met rust laten. Je mag wel mijn koffie bijvullen. I’ll thank you later.

MIJN MEIDEN – hebben voorrang. Altijd.

ZONDAG – Uitslapen, seks, koffie, croissants, South Park, seks, slapen, douchen, afhaalchinees, Futurama, seks, slapen. Niets anders.

PASSIES – Jij hebt er, ik heb er. De uwe zullen de mijne niet zijn en vice versa. Zie het als een garantie dat we nooit dat soort koppel zullen zijn dat samen op een tandem rijdt.

ROST – Ik kleur mijn haar omdat het beter bij mijn persoonlijkheid en libido past. Een verwittigd man…

KLEEDJES – Ik geef er al mijn geld aan uit. En aan laarsjes. Maar ook aan lingerie. Win-win.

COMFY – Het is zoals look eten: als je’t allebei doet, merk je er niets van. Now get out of those pants.

AMBITIE – Graag, maar ken je limieten. Ik zou je graag optioneel nog steeds bij mij (en viagravrij) hebben op je vijfendertigste.

EMOTIES – Ik ben een wijf, soms jank ik. Pak mij gewoon vast en zet National Geographic uit.

MUZIEK – AC/DC in de auto, Oldies in de douche, Prince bij het neuken, Massive Attack bij het opstaan. You in?

UW BED – Daar slapen we het vaakst. Bij mij wordt het kiezen tussen u of mijn kat. Dat dilemma is me te groot.

RESPECT – Je mag me gerust drunk dialen, ranzige dingen zeggen en arrogant zijn. Vergeet gewoon niet dat ik de tieten en dus de macht heb in de relatie.

STIJL – Ik haat shoppen. Ik ga niet met u mee en ik wil niet dat jij met mij meegaat. We vragen gewoon een vriendin of een homo mee.

VERRASSINGEN – Ik ben (letterlijk) allergisch aan lelies en alles wat ermee verwant is. Wees origineel.

DANSEN – Als je het niet kan/wil, ga dan op café. Anders blijf ik wel tegen u aanschurken tot je meedoet. Geen ontsnappen aan.

GEHEIM – De striemen waar ik me onzeker over voel. Dat erogene plekje aan mijn oren. De moedervlek op je kont. Het geluid als je klaarkomt.

ALTIJD – Ik geloof er niet in. Maar nu is het leuk, so let’s just see how it goes.

RUZIE – Zo lang er make up sex volgt, is er geen probleem. De dag dat je op de zetel gaat slapen, is het voorbij. Tenzij het is omdat ik snurk, dan sorry.

LIEFDE – Ik zal heel veel voor je doen. Ik verwacht even veel terug. Maar de dag waarop je het doet omdat het moet en niet omdat je het wil, eis ik brute eerlijkheid.

Ja, het concept is schaamteloos overgenomen van deze heldin, maar everything has been done before. Zie het als een ode.

Help, I’m alive.

Mijn ambtenaarschap zit er bijna op. Nog een dag en ik mag mijn denkbeeldige grijze mantel aan de haak hangen. Nooit gedacht dat ik het zou missen. En ja, het is perfect mogelijk om al met heimwee ergens naar terug te kijken als het nog niet voorbij is.

Wat ik niet ga missen, is frikkin’ Internet Explorer. Het hele internetsysteem daar tout court, eigenlijk. Dat de federale overheid ervan overtuigd is dat onze productiviteit een boost zal krijgen als we niet kunnen streamen of chatten, kan enkel op mijn hoongelach rekenen. Ik heb me uren beziggehouden met blogs, Twitter, Facebook en Reddit. Dat komt ervan als je als ambitieuze studente in het lome ritme van de overheid terechtkomt. Als dagtaak krijg je dan een vertaalopdracht van twee A4-tjes en het ineenboksen van een powerpointpresentatie. Alsof je daar zeven uur mee kan vullen. Zucht.

Ik denk stiekem dat de rituelen het diepst onder mijn vel geslopen zijn. Zelfs het opstaan. Kwart voor zeven is nu ook niet zo onmenselijk. Het ritme zal welkom zijn als ik de komende maanden verdrink in de papers en de examens. Het wordt afkicken van mijn dagelijks perronritueel: vier minuten voor de trein aankomt nog een sigaret opsteken en gokken waar de deur zal stilstaan om vervolgens de compulsieve autist in mij te voelen juichen als dat voor mijn neus blijkt te zijn, net terwijl ik de laatste as aftik. Zelfs de herinnering aan de liters doorkijkkoffie zal op de meest vreemde momenten mijn hersenen prikkelen, gepaard met de rookpauzes in de enige ruimte op de zevende verdieping waar je uitzicht hebt over heel Brussel.

Het is absurd hoe ik details in mij opslorp. Ik kan me nauwelijks de naam van tig vluchtige verliefdheden herinneren, maar ik weet wel hoe we de kerk binnenslopen en hij het waagde om me te kussen nadat hij een offerkaars voor me had aangestoken (en ik ben niet godvrezend maar dat hij dat deed zonder te betalen, vond ik wel erg rebels).
Tot op het moment waarop onze lippen elkaar raakten, vroeg ik me af of ik zou merken dat hij een hazenlip had. Het antwoord is neen, maar zijn tong die als een droogtrommel tegen die van mij aanschuurde, zal steeds in mijn top tien van traumatische ervaringen gegrift staan.

In de categorie ‘het is u vergeven want ge waart nog klein’: de huisjes van mos en takjes die ik als kind op vakantie bouwde om de bij valavond gevangen vuurvliegjes een thuis te bieden om vervolgens als godzilla door hun dorp te stampen. Of mama en papa konijn uit hun respectievelijk kot halen en ze even laten ‘spelen’, mij maar al te bewust van de kijkhoeschattige gevolgen dat zou hebben. Ik was vroegrijp (en daarmee verwijs ik u met graagte door naar mijn vorige post).

Nu goed, vuurvliegjes geven geen licht meer als ze verpletterd zijn en de kleine konijntjes hebben we, vergezeld van een zelfvoldane kat, uiteengereten aan onze achterdeur teruggevonden. Ironisch genoeg loop ik nu stage bij de overheidsdienst Dierenwelzijn. Boetedoening, anyone?

Ik ga af op mijn instincten. Ik zou geen van mijn zintuigen willen missen. Zonder mijn reukvermogen zou ik niet heerlijk in slaap kunnen vallen met mijn kat naast mij, geurend naar het gras waar ze de hele dag in geravot heeft. Mocht ik niet meer kunnen smaken, zou ik gemakkelijker van het roken afraken, maar ik zou niet meer kunnen wegsmelten bij die bittere eerste slok koffie van de dag. Een gebrek aan gehoor zou me de emotionele ontlading ontnemen die Thom Yorke me bij de halfjaarlijkse bleitbui biedt. Ik heb mijn ogen nodig, want god behoede dat ik in bed duik met de kerel met de zwoelste stem van de keet om dan te merken dat op zijn rug meer haar ligt dan in mijn afvoerputje. Love isn’t thàt blind.

Mijn tastzin is mij misschien nog het dierbaarst van al. Een snaar voelen glijden tussen mijn vingers, een aai over een warrig mannenhoofd kunnen geven, een balpen op papier kunnen drukken… het is mij het spreekwoordelijk kingdom waard.

Godzijdank ben ik geen tien jaar later geboren. Ik voel me nog deel van een generatie die op haar eigen ritme groot kon worden. Nu zie ik kortgerokte meisjes van 14 met stilettohakken door Gent paraderen, of kliekjes die perfecte kopieën van elkaar zijn. Het gebrek aan identiteit en persoonlijkheid is zo intriest. Alsof de jachtigheid en de drang naar mooi, hip en belangrijk zijn ten koste moet gaan van je eigenwaarde.

Hoe meer ik de druk voel om me met grootse dingen bezig te houden, hoe meer ik compleet verloren loop.
“Koop een smartphone, dat is de toekomst!”
“Begin maar al te solliciteren want de arbeidsmarkt is genadeloos hard!”
“Stop met roken want je huid gaat er grauw en gerimpeld uitzien!”

Op zulke momenten hunker ik naar de dagen waarop ik, doodop van de lange wandeling waarbij ik steeds in zijn voetafdrukken wilde huppelen, op mijn vader zijn schouders zat en zijn baard voelde kriebelen tegen mijn kleinemeisjesknieën. Geborgenheid troef. Ik hoop van harte voor de jongelui van tegenwoordig dat de tijd niet te snel gaat om kostbare herinneringen vast te leggen. Ze komen van pas als je merkt dat rennen noch stilstaan een optie is.

Ondertussen betrap ik mezelf erop dat ik werkelijk overweeg om zo’n verduiveld immer bereikbaar kleinood aan te schaffen en cv’s te sturen naar de meest prestigieuze tijdschriften en kranten ter wereld. The only way is forward. Ik denk er nog even over na, hete doorkijkkoffie en smeulende sigaret in de hand, met zicht op bruisend Brussel.

Ode an das Ficken.

Naar aanleiding van de viering van LadyPornDay, op initiatief van Rabbit Write, kan ik de kans om schaamteloos te schrijven over neuken, rampetampen, poepen, van jetje geven, batsen, palen, vossen, pompen,…kortom, over Dat Waar De Meeste Synoniemen Voor Bestaan, niet aan mij voorbij laten gaan.

Ik kan mijzelf geen trouwe pornokijker noemen, daarvoor is mijn frequentie en hormonenspiegel te onregelmatig. Ik herinner me wel nog levendig de eerste ontmoeting. Ik was elf, de video lag waarschijnlijk al jaren in het dressoir, simpelweg ‘verstopt’ achter de naaibak. Mijn ouders waren er blijkbaar gerust in dat hun kroost nog jaren in zorgeloze onwetendheid zou vertoeven. Helaas.
De titel gaf niet echt veel prijs. Een witte doos met in sierlijk rode letters “Love Skills” op gedrukt, vergezeld door een halfnaakte vrouw met gesloten ogen, omhuld in een mistig wit kleed. U merkt al dat het niet om full blown triple X merchandise ging. Dié exemplaren liggen nu in mijn vader zijn bureau, in een cd-opberger waar ik nog stickers van Studio Brussel op heb gekleefd om mijn cd’s van Alanis Morissette en Lais toch een beetje hip te maken. Mijn tienerhart bloedt.

Neen, Love Skills was een handleiding. Het begon met een lieflijke uitleg over het uitstellen van het orgasme, het belang van voorspel, romantiek en communicatie. De exacte volgorde kan ik me niet meer voor de geest halen. Ik herinner me enkel de zachte vrouwenstem die gedragen werd door het beeld van een jonge zwarte vrouw die zichzelf gracieus met een tuinslang natmaakt. Vooral het samenspel van de avondzon en de waterdruppels op haar huid vond ik destijds fascinerend.

Toen kwam het echte werk: de Kamasutra. Echte mensen in echte posities lagen als standbeelden op een hemelbed. Pas toen de zoetgevooisde stem klaar was met haar uitleg, kwamen de beelden tot leven en werd mijn woonkamer gevuld met zacht gekreun, wat me met het schaamrood op de wangen naar de afstandsbediening deed grijpen om het volume van vijf naar twee te verminderen. De standjes werden ook heel politiek correct uitgevoerd. Ik zag nooit eerder zo veel verschillende rassen met elkaar vermengd. Voor zover ik me herinner, zaten er geen Aziaten bij. Dat lijkt me bij nader inzien ook logisch: de mannen zijn te klein om geloofwaardig over te komen bij een blanke of zwarte vrouw en de vrouwen kreunen niet, maar piepen. Na valse borsten en aangehouden kousen is dat waarschijnlijk de grootste turn-off. Als je niet deftig kan kreunen, kreun dan niets niemendal.

Het laatste deel van de instructies ging over fantasieën. Bij uitstek mijn favoriete onderdeel. De hemelse stem bleef herhalen hoe normaal het is, zelfs gezond. Mijn schaamte viel als een laken van mij af. De decors waren overduidelijk houten platen waar je met een hoop verbeelding een groezelige buurt in herkende, met flikkerende neonlichten en katten die met veel lawaai de metalen vuilnisemmers omgooiden.
Ik ervoer hoe een ‘wildvreemde’ man (maar onvoorstelbaar knap, uiteraard) een kortgerokte vrouw oppikte en haar eer bezoedelde op de motorkap van zijn rode Chevy. Aan een armtierig strandje dat bestond uit enkele leeggegoten zandzakjes en twee ligstoelen, werd een uit de kluiten gewassen strandwachter uitgebreid bedankt door zijn bloedmooie (maar kurkdroge) drenkeling en gelijktijdig nauwlettend beoordeeld door een bescheiden publiek. De details merkte ik op dat moment uiteraard niet op. Voor het eerst in mijn leven kreeg ik het vreselijk warm, gloeide het op plaatsen waar het nooit eerder had gegloeid en voelde ik de drang om te roken, al had ik nog nooit een sigaret aangeraakt.

Ik kan enkel blij zijn dat ik de wondere wereld van de ongecensureerde mens zo vroeg heb ontdekt. Amper een jaar later zou ik vol trots het woord (enkel het woord, jawel) ‘sperma’ in de mond nemen tijdens de eerste lessen seksuele voorlichting, onder lovend gejubel van mijn meester en onbegrijpelijk gestaar van mijn klasgenootjes. Pas op mijn zeventiende heb ik mijn vroegrijpheid moeten bekopen met schaamte toen ik oprecht bezorgd vroeg aan mijn leraar biologie of de voeding van de man invloed heeft op de smaak van zijn sperma. In de oorverdovende stilte die erop volgde, kon ik de ‘oh no she didn’t’ – ook al was dat toen nog geen versteende uitdrukking – van de klas duidelijk onderscheiden. De leraar heeft er zich zo goed en zo kwaad als hij kon proberen uitlullen, maar het kwaad was geschied. Vanaf dat moment liep ik door de gangen gebrandmerkt als ‘dat oversekst meisje zonder taboes’.

Dat beeld blijft me tot op heden achtervolgen. Vrienden merken licht verontwaardigd op dat als ik erbij ben, het gesprek vroeg of laat steevast over de vunzigheden der natuur gaat. Ik heb me erbij neergelegd. Schaamte heb ik niet meer. Ik ben ervan overtuigd dat iedereen op freudiaanse wijze zijn oerinstincten onderdrukt. We zijn biologisch voorbestemd om ons enkel te bekommeren om de instandhouding van onze soort en worden daarin beperkt door een moraliserend keurslijf. Niet dat ik voorstander ben van een losgebarsten maatschappij waarin we onbelemmerd elkaars kruis besnuffelen, maar we moeten ook niet doen alsof we in essentie meer dan beesten zijn.

Aldus: ga en oefen op het vermenigvuldigen. It’s good for you. Ik weet het al sinds mijn elfde.

Vorige Oudere items